Doen!
Oefeningen fietsvaardigheid
10 tot 12 jaar
10 - 12 jaar
- Fiets langsheen twee tafels met een emmer erop. Schep al fietsend een beker water uit de eerste emmer en giet die in de tweede emmer. Werk met 2 ploegen. Wie haalt het hoogste waterpeil?
- De niet-fietsende leerlingen vormen een grote kring. De helft heeft een kaart in de opgestoken hand. Fiets omheen de kring, neem een kaart van een leerling-met-kaart en geef die aan een leerling-zonder-kaart.
- Remoefening. Stel je met de fiets naast elkaar op, de achterwielen van de fietsen op één lijn. Op het signaal (van de leraar) vertrek je allen samen. Op een ander signaal rem je tot stilstand. Herneem, maar rem en stop nu voor een aangebrachte streep.
- Zet 2 tafels achter elkaar. Fiets van de ene naar de andere tafel. Neem met de rechterhand de doos van de eerste tafel en zet die op de tweede. Fiets aan dezelfde kant terug en breng de doos met de linkerhand van de tweede tafel terug naar de eerste.
- Fiets tussen een dubbele rij stippen. Ze liggen op ongeveer 30 cm van elkaar. Je mag de stippen niet raken, je mag geen voet aan de grond zetten.
- Plaats de stippen zo, dat je ertussen kunt slalommen.
- Voer de oefening uit terwijl je een arm uitsteekt, daarna terwijl je de andere arm uitsteekt, vervolgens met een schooltas op de bagagedrager.
- Maak een strook van anderhalve meter breed. Vanuit elk uiteinde rijden fietsers naar de andere kant. Doe het opnieuw, bij het kruisen groet je elkaar door een hand op te steken. Doe het nog eens, maar geef de tegenligger tijdens het kruisen een liniaal.
- Aan het begin en het einde van de strook staat een tafel, waarop een fles, half gevuld met water. Fiets naar de andere kant. Neem (fietsend) de fles van de eerste tafel en zet die (recht) op de tweede tafel. Je mag onderweg geen voet op de grond zetten.
- Fiets traag. Blijf op de smalle strook. Raak de lijnen niet.
- De niet fietsende leerlingen vormen een rij. Fiets zo dicht mogelijk langsheen die rij.
- Fiets op een smalle strook. Op het afgesproken signaal van de leraar kijk je rechts of links achterom. En dat zonder de lijnen te raken!
- Kijk (links of rechts) achterom en zeg hardop wat je ziet op het karton (welk dier? welk getal? welk woord?).
- Er is een strook van 12 m lang, verdeeld in 5 strookjes van 10 cm breed. Fiets in de middelste strook. Je krijgt 2 strafpunten als je in de tweede/vierde strook komt en 3 als je in de eerste/vijfde komt.
- Fiets tussen drie opeenvolgende doorgangen van 3 m lang, zonder onderbreking! De eerste is 40 cm breed, de tweede 30 cm en de derde 20 cm breed.
- Fiets naar de overkant van de speelplaats. Een andere leerling fietst in tegengestelde richting. Als je elkaar kruist, tik je met jouw hand even tegen zijn/haar hand. Keer terug en kruis elkaar nu rechts.
- Fiets tussen twee strepen. Op een afgesproken signaal kijk je achterom en lees je de opgestoken letter of het cijfer. Je mag de strepen noch raken noch overschrijden.
- Je staat met 2 andere fietsers 10 m voor de startlijn. Bij het startsein trap je zo hard je kunt. Zodra je de startstreep overschrijdt, hou je op met trappen en je tracht zo ver mogelijk te rollen. Om het verst.
- Zet een schooltas op de bagagedrager. Hou die met een hand vast. Dus een hand aan het stuur. Fiets nu naar de overkant van de speelplaats.
- Fiets naar de overkant van de zaal/speelplaats. Daar krijg je, al fietsend, een voorwerp van een leerling te voet. Neem het aan en fiets terug. Stop op het einde en gooi dat voorwerp in een mand of grote doos.
- Idem. Onderweg gooi je het voorwerp in de daarvoor bestemde doos of mand.
- Idem. Onderweg geef je dat voorwerp aan een leerling te voet.
- Fiets met een passagier tussen enkele hindernissen (bijv. stoelen, hoepels, ...). De passagier heeft in elke hand een tennisbal. Die gooit hij onderweg elk in een emmer, die op de grond staat.
- Stel je allen op naast de fiets. De laatste fietst slalommend tussen de anderen (vgl. haasje-over).
- Twee fietsers rijden achter elkaar, op zowat 1 m afstand. De eerste houdt een (tennis)bal in de hand. Hij draait zich opeens om en gooit de bal naar de tweede fietser. Die vangt de bal op en rijdt de eerste fietser voorbij. Hij gooit de bal naar de tweede fietser.
- Fiets met meerderen achter elkaar, de speelplaats/zaal rond. Wie de bal heeft, gooit hem naar de achterligger. Tot aan de laatste fietser.